1887-1901 Bok 1, 2 en 3

De behoefte om vanaf het water lasten te hijsen ontstond omstreeks 1880.
Toch duurde het tot 1887, dat de Bergingsmaatschappij werd opgericht met als directeur de heer G. Dirkzwager, een bekende Maassluizer, terwijl de heer H.J. Bonn een van de commissarissen werd. Dit nagelnieuwe bergingsbedrijf liep niet zoals gewenst, omdat na een weliswaar goede start het aantal uitgevoerde bergingen te gering was om de kosten te dekken. De Nieuwe Waterweg was na een periode waarin ondiepten veel ongelukken veroorzaakten, enigermate uitgediept met gunstige gevolgen voor de scheepvaart. Dat betekende slechtere tijden voor de bergers.

De bergingsmaatschappij beschikte toen al over 2 drijvende bokken, nl. Bok nr.I (20 ton) en Bok nr. II (25 ton), beide gebouwd op de werf van Bonn en Mees. Omdat rijkssteun, ondanks dringende adviezen daartoe, werd geweigerd, werden de schulden gesaneerd. Het bedrijf trok zich tijdens de bouw van bok 1 al terug en werd in 1894 omgezet in "de Nieuwe Bergings- maatschappij".
De zaken liepen beter en er werd in 1901 zelfs een bok aan de vloot toegevoegd, nl. drijvende Bok nr. III ( 25 ton).
De bokken werden gebruikt op de scheepswerf, maar ook door de toenemende vraag uit de haven werden ze verhuurd aan derden.

Men plaatste 2 laadbomen tegen elkaar op een ponton en hing er een takel in. Op het dek plaatste men een hand-hijslier met 2 grote slingers waar 8 mannen aan konden draaien. Deze bokken werden verhuurd inclusief 1 bootsman. De bootsman moest ervoor zorgen, dat er werklieden aan boord kwamen om aan de lieren te draaien.
De hijshoogte was 18m.50 en de sprei 7,5 meter.
De bokkepoten waren niet verstelbaar en de sprei en hijshoogte waren dus altijd vast. Later werden de handlieren vervangen door lieren die draaiden op stoom en daarna door motorlieren.